Mijn zonsopgang ging niet helemaal zoals gepland, want de kust bleek uitzicht op het zuiden ipv het oosten te hebben. Alsnog was het wel mooi, en liep ik later in het bos met heel mooi goud licht. Ik kwam in Fisterra aan op een enorm strand, met een heerlijk zonnetje in mijn rug. Ik deed mijn schoenen uit, afritsbroek omhoog, en liep door de zee de kust of, terwijl ik de mooiste schelpen verzamelde. Het voelde gelijk al heel fijn om hier aan te komen. Daarna liep ik verder door het stadje, ook heel mooi en lekker rustig, en ontmoette ik Graeme voor het ontbijt.
Daarna liep ik nog een paar kilometer door naar Finisterre, het eindpunt. Dit klinkt heel spiriwiri, maar het was echt een magisch moment om 0,00 kilometer op de richtingaanwijzer te zien staan, en naar het puntje van het vasteland te lopen. Ik was er zo vroeg, het was nog relatief rustig (ik had hordes toeristen verwacht maar dat viel enorm mee), en ik hoefde me niet meer te haasten naar de volgende Albergue. Ik voelde me tevreden en verdrietig dat mijn Camino nu echt over was. Ik ging zitten op de rotsen en keek uit op oceaan, alleen maar oceaan en verder niks. Totdat ik een hoofdje omhoog zag komen uit de rotsen onder me. Het hoofdje keek me een paar seconden aan en begon toen vrolijk te zwaaien. Het was de snurker van afgelopen nacht. Hij had me waarschijnlijk ongemerkt ingehaald toen ik in een hyperfocus schelpen aan het zoeken was, of toen ik aan het ontbijten was met Graeme. De snurker liep op me af en stelde zich voor als Miguel. Miguel bleek naast een snurker, ook een heel aardige jongen te zijn. We kletsten wat, haalden biertjes en genoten van het uitzicht. Daarna ging ik lunchen bij Etel&Pan, een schattig zaakje met allemaal lokale ingrediënten en vegetarische opties en ging Miguel inchecken in zijn hostel. Even later ging ik naar de supermarkt en liep ik hem tegen het lijf. We besloten samen ergens te gaan zitten en uiteindelijk kwamen we terecht bij een geheim “strand”, wat neerkwam op een stel grote rotsen waar je alleen via een olifantenpaadje door de bosjes kon komen. Het water was prachtig helder en heerlijk koel. Het voelde als zo’n fijne afsluiter van de Camino.
Om kwart over vijf liep ik naar het busstation, waar ik een half uur later de bus terug naar Santiago zou hebben. Eindelijk even bijslapen, dacht ik. Maar nee, ik raakte in gesprek met een superleuke pelgrim en hadden een heel gezellige busreis samen. In Santiago moest ik nog vijftig minuten lopen naar mijn hostel; omdat ik zo laat had geboekt was er verder niks betaalbaars meer. Er was die avond een muziekfestival waardoor het er nóg drukker was dan een normale vrijdagavond. Ik was inmiddels doodop en besloot Katie te ditchen en te gaan slapen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten